In dit dossier duikt Momus in een van de grootste uitdagingen van deze tijd: Wat moet er gebeuren om betaalbaar en gezond wonen voor iedereen bereikbaar te maken?
Door je in te schrijven op onze Momus nieuwsbrief — of de aparte nieuwsbrieven van lopende dossiers — blijf je op de hoogte én word je soms gevraagd om mee te denken over onze onderzoeksprojecten, via vragen, peilingen of zelfs (online) meetups.
En word lidDoor daarnaast ook (betalend) lid te worden van de Momus community, houd je onze journalistiek toegankelijk voor iedereen, zonder betaalmuren. Als lid kun je bovendien nog actiever meepraten over lopende of toekomstige dossiers via lezerskringen (lees hier meer over).
Draag je liever eenmalig bij, via een losse tip, vraag of donatie? Ook dat kan.
Stuur ons jouw idee, tip of vraag als tekstbericht of als audiobericht via onze online open microfoon.
📝 Stuur ons een (tekst)bericht
🎙️ of een audiobericht
Of steun ons eenmalig met een bedrag naar keuze.
€ Doneer eenmalig naar keuzeIn een gezin in Kampen is de vader zijn baan verloren en zijn de twee kinderen van vijf en acht leerplichtig. Dan geeft hun computer de geest. Het gezin heeft geen geld voor een nieuwe. De kinderen hebben die nodig voor hun huiswerk en de vader voor het contact met de UVW. Ze doen een aanvraag voor een computer bij de gemeente Kampen, maar die ziet het als ‘luxeproduct’ en de aanvraag wordt afgewezen. Via via horen ze over het Kamper Krachtfonds. Ze doen een aanvraag waarop het Kamper Krachtfonds de computer vergoedt.
Lidi Kievit en Tom de Wal zijn voorzitter en penningmeester van het Kamper Krachtfonds en horen dit soort verhalen vaker. Het Krachtfonds biedt kleinschalige financiële ondersteuning aan kwetsbare groepen in Kampen. Niet omdat in Kampen buitengewoon veel gezinnen onder de armoedegrens zitten. Kampen is volgens de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein op veel vlakken ‒ armoede, werkloosheid, mentale gezondheid ‒ een gemiddelde Nederlandse gemeente. Het is omdat in 2013 de politiek (en het bedrijfsleven) het idee van de participatiesamenleving omarmt en Lidi Kievit, als uittredend wethouder Sociaal Domein in de gemeente Kampen, met vooruitziende blik zag dat mensen tussen het wal en schip zouden vallen. ‘We vullen de gaatjes die de overheid laat vallen.’
Iedereen moet z’n eigen boontjes doppen, en vooral niet te snel bij de overheid aankloppen. Sinds de jaren ‘90 won het idee van ‘participatiesamenleving’ aan politieke populariteit. Het begon de ‘verzorgingsstaat’ te verdringen. Het is niet toevallig ook de tijd van de opkomst van de burgerinitiatieven, die in de bres springen voor kwetsbare groepen. Een van die initiatieven heet het ʻgemeenschapsfonds’. In Nederland zijn er in totaal tussen de 50 en 70 gemeenschapsfondsen actief.
Het Kamper Krachtfonds is een voorbeeld van een gemeenschapsfonds. Een gemeenschapsfonds is een particulier initiatief met als doel de kwaliteit van leven in een bepaalde stad of regio te verbeteren. Het zijn filantropische organisaties, vaak stichtingen, die lokaal fondsen werven in de vorm van donaties of erfenissen, en met dat geld in hun regio initiatieven ondersteunen op het gebied van bijvoorbeeld cultuur of milieu. Er zijn er ook, zoals het Kamper Krachtfonds, die zich richten op amoedebestrijding en het voorzien in fundamentele basisbehoeftes.
Een gemeenschapsfonds is geen grote, formele organisatie. Het interview voor dit artikel vond plaats aan de keukentafel bij Lidi Kievit thuis (‘welkom in het kantoor van het Kamper Krachtfonds’). Een gemeenschapsfonds is een informele, toegankelijke groep bewoners die zien dat er in hun stad of regio het een en ander te verbeteren valt. Meestal zijn dat dingen die de overheid niet (meer) doet of simpelweg niet in staat is te doen.
Kievit leg dat uit: ‘Onze doelgroep zijn mensen die het net niet op eigen kracht redden. Die net een zetje nodig hebben om weer mee te doen in de samenleving. Assertieve mensen komen er wel. Maar mensen met schulden of met een klein of ontbrekend netwerk, of mensen die zich schamen voor hun positie, daar zijn we voor.’
Hoe ziet dat eruit in de praktijk? Penningmeester Tom de Wal heeft een hele lijst met voorbeelden paraat. ‘We hebben laatst de koel-vriescombinatie van een mevrouw van 67 betaald, die heeft hoge lasten en alleen AOW. Ook vergoeden we soms stortkosten. Er zijn mensen die om wat voor reden dan ook hun hele huis hebben volgepropt met spullen en soms kunnen ze er niet meer doorheen naar buiten. Dan is een huis onleefbaar. Dat moet dan worden verwijderd en daar komen kosten bij kijken.’
De lijst gaat verder. Zwemlessen van kinderen uit minima-gezinnen, steunzolen voor ouderen, ongediertebestrijding bij gezinnen thuis, hulp bij het terugbetalen van schulden. En tenslotte: een maand huur. De Wal: ‘Sommige mensen zitten zo in de penarie dat ze met een maand huur geholpen zijn om uitzetting te voorkomen.’ Met dit soort relatief kleine ingrepen kan iets groots als dakloosheid voorkomen worden. In Nederland is huisuitzetting een van de oorzaken van dakloosheid en ook de rijksoverheid erkent dat snelle hulp bij schulden dakloosheid kan voorkomen.
Volgens Kievit en De Wal heeft hulp van het Kamper Krachtfonds een duidelijke voorwaarde. Er mag geen ander noodfonds of potje bestaan waar de aanvrager voor in aanmerking komt, ook niet bij de gemeente. Het zegt iets over de verhouding tussen fonds en overheid. Namelijk dat gemeenschapsfondsen precies daar actief zijn waar de overheid dat niet is of niet méér is.
Misschien het meest prangende voorbeeld is de cultuursector. In 2013, het jaar waarin de participatiesamenleving werd uitgeroepen, voerde de Rijksoverheid 200 miljoen aan bezuinigingen door in de cultuursector. Dit zorgde voor een maatschappelijke tegenbeweging van particulieren cultuurfondsen, waar de gemeenschapsfondsen, weliswaar op kleinere schaal, ook onderdeel van uitmaken. In 2022 schonken de grootste vijftig particuliere cultuurfondsen in 2022 maar liefst 283 miljoen euro aan kunst en cultuur, bijna een kwart van het cultuurbudget van de overheid.
In het ‘sociaal domein’ is iets vergelijkbaars gebeurd. De overheid trok zich stapsgewijs terug, met het implementeren van De Zorgverzekeringswet uit 2007, waarmee universele overheidssteun bij ziekte (via het Ziektefonds) werd vervangen door een markt van private verzekeraars, en met de Wet Maatschappelijke Ondersteuning uit 2015, de ‘participatiewet’, waarin onder andere de eigen bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning werd geïntroduceerd. Met de participatiewet werden publieke diensten als dagbesteding, daklozenopvang en informele zorg overgeheveld naar de gemeenten, maar zonder de daarvoor noodzakelijke financiële middelen.
Dit soort hervormingen waren verkapte bezuinigingen die nu vaak worden aangeduid als ‘neoliberaal’ . Ze passen in het kader van de bredere ‘participatiesamenleving’, dat tijdens het kabinet Rutte II (2012-2017) een van de centrale ideeën was.
Lidi Kievit was in die tijd wethouder Sociaal Domein in de gemeente Kampen en heeft de omwentelingen van dichtbij meegemaakt. Het sociale veld werd volgens haar steeds ingewikkelder en zorgde samen met het terugtrekken van de overheidsfinanciering voor ‘een kaalslag’ in de voorzieningen in dat domein. Het was reden genoeg om het Kamper Krachtfonds op te richten.
Behalve in Kampen zijn er in Nederland gemeenschapsfondsen actief in onder andere Amsterdam, Amstelveen, Blaricum, Texel (Noord-Holland), Gouda, Leiden, Schiedam, Wassenaar (Zuid-Holland), Soest en de gemeente Utrechtse Heuvelrug (Utrecht), Hegelsom (Limburg) en Twente (Overrijssel).
Ook buiten Nederland is de opkomst van gemeenschapsfondsen de laatste decennia rap toegenomen. Een rapport dat deze trend al vroeg opmerkte – in het jaar 2000 – is ‘The Growth of Community Foundations around the World’, van de Amerikaanse consultant en onderzoeker Eleanor Sachs. Hierin worden deze lokale fondsen geplaatst in de context van groeiend mondiaal vrijemarktkapitalisme, met terugtrekkende overheden op lokaal niveau.
De omvang van de fondsen varieert sterk. Het Kamper Krachtfonds is een relatief klein gemeenschapsfonds met een jaarlijkse begroting van rond de 25.000 euro. Het Texelfonds op Texel, aan de andere kant, beschikt over een eigen vermogen van rond de anderhalf miljoen euro. Met de inkomsten op dat vermogen steunt het projecten; in 2022 werd zo’n 100.000 euro uitgekeerd. De omvang van de andere fondsen ligt ergens tussen die van het Kamper Krachtfonds en het Texelfonds in. De bronnen van financiering zijn divers: lokale giften en erfenissen die bij gemeenschapsfondsen worden ondergebracht, of rente op vermogen. In die zin zijn gemeenschapsfondsen bijzonder: ze weten nieuwe financieringsstromen aan te boren voor lokale filantropie.
Kievit en De Wal vertellen over hoe een aanvraag voor financiering door het gemeenschapsfonds eigenlijk werkt. ‘Het heeft niet veel om het lijf,’ zegt De Wal. Het proces moet zo min mogelijk obstakels bevatten en zo toegankelijk mogelijk zijn. ‘Een aanvraag komt binnen bij het secretariaat, die zet daar twee regels bij en dan sturen ze het door naar [het bestuur]. Wij keuren de aanvraag, mits onder de 300 euro, wel of niet goed of sturen het bij een hogere aanvraag, of als er meer vragen zijn, door naar het algemeen bestuur voor advies.’
De algemeen-bestuursleden zijn ‘allemaal Kampenaren’. ‘En gemeleerd,’ zegt Kievit. ‘Ik heb een achtergrond in het sociaal domein, we hebben een middelbare schooldocent, een taal-coach, iemand die werkte bij de woningbouwvereniging, en iemand uit de financiële wereld, maar allemaal wonen ze in de stad.’ De toegankelijkheid en nabijheid van gemeenschapsfondsen speelt een belangrijke rol bij het bereiken van mensen uit ‘de arme kant van Kampen’.
Is er iets dat een gemeenschapsfonds wel kan en een overheid niet? En zo ja, wat is dat dan?
Thijs van Mierlo houdt zich al langer bezig met deze vraag. Hij is directeur van het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve Bewoners (LSA Bewoners) uit Utrecht, dat de spil vormt van een netwerk van bewonersinitiatieven in Nederland en ook opkomt voor hun belangen in de politiek in Den Haag. Sinds een paar jaar spant LSA Bewoners zich in om de groei van en verbinding tussen de gemeenschapsfondsen te faciliteren.
‘Een van de belangrijkste verschillen,’ zegt Van Mierlo, ‘is dat gemeenschapsfondsen minder gebonden zijn aan gelijke behandeling. Het universaliteitsdenken is heel dominant bij de overheid. Dan is het heel moeilijk om achterstanden aan te pakken. Een voorbeeld zijn de Buurtbudgetten van gemeenten waar heel vaak instaat dat aanvragen voor eten en drinken zijn uitgesloten. Terwijl er heel veel plekken zijn waar het belangrijk is om mensen te helpen met deze fundamentele behoeftes.’
Een ander verschil is volgens Van Mierlo dat gemeenschapsfondsen zijn ‘geworteld’ in de lokale samenleving. Het is geen toeval dat bij het Kamper Krachtfonds, maar ook bij bijvoorbeeld het Wassenaarfonds, het Leidse Drückerfonds of het Texelfonds, lokale bewoners de dagelijks leiding voeren. Ze kunnen daardoor goed inschatten, beter dan grotere instanties als gemeenten, wat de impact van (financiële) ondersteuning kan zijn en of er overlap is met het aanbod van andere lokale (hulp)organisaties.
Gevraagd naar de rol van gemeenschapsfondsen in de samenleving, vallen er woorden als ‘basisinfrastructuur’, ‘gaten opvullen’ en ‘fundamentele behoeftes’. ‘De fondsen zijn niet alleen leuk voor erbij,’ zegt Van Mierlo, ‘maar ze investeren ook daadwerkelijk in een wezenlijke basisinfrastructuur waar de overheid dat niet meer doet, of waar er schaarste is in die infrastructuur.’
In een wetenschappelijk artikel uit 2016 beschrijft de neoliberale econoom Lei Delsen van de Radboud Universiteit helder de uitgangspunten van het op dat moment populaire idee van de ‘participatiesamenleving’:
‘Overheid en professionele ondersteuning fungeren als laatste toevlucht. Mensen moeten verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen toekomst en hun eigen sociale en financiële opvangnetten creëren. Het onderliggende idee van de participatiesamenleving is er één waarin mensen hun afhankelijkheid van staatsteun verminderen en zelfredzaam worden of afhankelijk van familie en gemeenschaps-solidariteit.’
Gemeenschapsfondsen reflecteren deze ideeën soms expliciet. Op de website van het Blaricum Activiteitenfonds staat bijvoorbeeld te lezen dat ‘met een overheid die zich steeds verder terugtrekt [er] ruimte ontstaat voor particulier initiatief. Burgers worden geacht steeds meer hun eigen verantwoordelijkheden te nemen.’
Het verklaart waarom mensen gemeenschapsfondsen beginnen: ze hebben weinig andere keus dan te ‘participeren’ en de gaten die de overheid laat vallen, op te vullen. Het alternatief is kijken hoe, in Kampen bijvoorbeeld, mensen hun huis worden uitgezet, omkomen in de schulden of zich geen koelkast of steunzolen kunnen veroorloven.
Gemeenschapsfondsen worden weleens vergeleken met kersen op een taart. In deze analogie bestaat de taart uit basisvoorzieningen vanuit de overheid, de kersen vertegenwoordigen de marginale maatschappelijke bijdrage van de gemeenschapsfondsen. Het is een ideale voorstellingen van zaken. Een die in de praktijk (helaas) niet overeind blijft. Soms springen burgers in de bres voor elkaar, wanneer een overheid dat niet doet.
De kers-op-de-taart-analogie is volgens Kievit en De Wal betreft ongepast. ‘Wat wij doen zijn geen kersen op de taart. Het is meer het beleg op het broodje.’
Noot van de redactie: eerder deed de auteur van dit artikel, Jens Kimmel, onderzoek namens het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve (LSA) Bewoners naar Gemeenschapsfondsen in Nederland. Het rapport is hier te lezen.