Word daarnaast lid van Momus (vanaf €3 per maand) om al ons werk te steunen.
Via onze Woonproof nieuwsbrief blijf je op de hoogte én kun je meedenken over dit onderzoek op basis van vragen die we via deze nieuwsbrief delen.
• Ontvang je al één of meer van onze nieuwsbrieven? Verander je voorkeuren via de knop in de Momus-nieuwsbrieven die je al ontvangt en vink de Woonproof nieuwsbrief aan.
• Ontvang je nog geen enkele nieuwsbrief van Momus? Schrijf je hier in en vink de Woonproof nieuwsbrief aan.
Heb jij tips of ideeën voor dit dossier? Laat het ons weten.
Naar het tipformulier
Naast het steunen en volgen van dit zorgdossier kun je ook Momus zelf steunen als lid vanaf 3 euro per maand, of via een eenmalige donatie naar keuze. Je blijft op de hoogte en denkt mee over al ons werk via onze nieuwsbrieven of social media+Vind ons op Instagram, LinkedIn, Facebook, Youtube en TikTok. Stuur ons algemene tips, ideeën of vragen als tekst via dit formulier, of als audiobericht via onze online open microfoon.
Een lentezon straalt door de brede ramen van buurthuis Burezina. Het is een zachte zondagmiddag. Twee vrolijke meiden – kinderen van een vrijwilliger van het buurthuis – zetten koekjes en dadels klaar. Zodra de bezoekers binnen druppelen, reiken ze hen een pen en naamsticker aan. Er zijn zo’n vijftien Overvechters gekomen om met ons – Merel en Jeske van Momus – te praten over de veranderingen in hun wijk.
‘Ik heb warme herinneringen aan deze plek,’ vertelt een buurtbewoonster met stijle blonde haren, ‘dit was vroeger de gymzaal van mijn school.’ ‘Ik zat hier ook op school,’ vult een donkerharige man een paar stoelen verderop aan, met bevlogen toon. Hun oude school is nu Burezina. Voor sommige aanwezigen is dit buurthuis hun favoriete plek in de wijk. Anderen zijn dol op de parken en tuinen, het winkelcentrum of vertoeven het liefste in hun eigen huis, vertellen ze tijdens de introductieronde.
Overvecht, een wijk die vaak negatief in het nieuws komt, roept voor deze bewoners juist positieve gevoelens op. ‘Er zijn veel dingen nu juist helemaal goed, die straks minder worden,’ zegt een bewoonster. Zoals het groen: ‘We zijn de groenste wijk van Utrecht,’ vertelt een ander, maar in de toekomstplannen staat dat ‘gigantisch onder druk.’
Ook met hun buren hebben de meeste aanwezigen goed contact, of in elk geval geen gedoe – ‘dat zijn ook goede buren’. Maar de steun die ze van hun buurtgenoten voelen, missen ze bij de gemeente: ‘Ik vind dat ze ons serieus moeten nemen en een eerlijk gesprek moeten voeren, in plaats van ons iets proberen te verkopen,’ stelt een buurtbewoonster. ‘Er zijn armoedeproblemen en achterstanden. Dat probeert de gemeente op te lossen met verdichting [meer woningen, red.]. Maar daar worden de huidige bewoners niet rijker of beter van.’
Overvechters voelen zich niet gehoord in de gemeentelijke plannen, concludeerden wij in ons recente artikel. ‘Schijnparticipatie’ noemen de aanwezigen het: ‘er wordt input opgehaald, maar er wordt niks mee gedaan.’
Ook wij krijgen – terecht – de vraag: Wat gaan júllie doen met de informatie die we delen? ‘Wij hebben het al zó vaak verteld,’ verzucht een Overvechter.
Ondanks die frustratie zijn de bewoners op een zonnige zondagmiddag bij deze meet-up. Dat zegt veel. Juist deze stemmen uit de buurt, die ondervertegenwoordigd zijn in de toekomstplannen, willen wij aan het woord laten in onze verhalen. We zoeken antwoord op de vraag: Wat hebben bewoners zelf te zeggen als hun wijk vernieuwd wordt?
‘Dat hadden jullie wel eerder duidelijker kunnen maken,’ krijgen we terug van de aanwezigen, waarvan iemand ons zelfs naderhand nog opbelt met feedback. Genoteerd. Na de vele bijeenkomsten in de wijk over de gemeentelijke plannen, hebben de bewoners behoefte aan duidelijkheid.
Duidelijkheid dus. Eén thema verraste ons tijdens de bijeenkomst: het buurthuis – en de rol die deze huiskamers spelen in het leven van individuele Overvechters en de gemeenschap. Daar willen wij meer over weten. Het zijn de bewoners die ons op dit spoor zetten.
Een aantal van de grote problemen in de wijk – zoals afval en veiligheid – worden door de aanwezigen in verband gebracht met sociale verbinding en betrokkenheid. Een aanwezige organiseert bijvoorbeeld regelmatig opruimacties: ‘We hebben met vijftien mensen twintig vuilniszakken gevuld,’ vertelt hij. Dat ruimt op ‘en je krijgt meer cohesie in de wijk.’
Het buurthuis is bij uitstek een plek om zulke buurtinitiatieven te verspreiden en ontmoeting mogelijk te maken. Zoals nu ook gebeurt. Hoe belangrijk dat is, benadrukt een andere bewoonster: ‘Bij ons in de buurt wordt de sfeer steeds harder omdat mensen steeds armer worden. En jongeren leven zich uit. De bushokjes gaan steeds vaker eraan. De gemeente ruimt dat niet eens meer op,’ vertelt ze. ‘Wat wij hartstikke hard nodig hebben, is een buurthuis,’ vervolgt ze. ‘Dat hebben wij niet meer [….] We hebben kort een buurthuis gehad en toen merkte je dat het beter ging omdat mensen werden geholpen en aangehoord.’
Ibrahim, bestuurslid bij Burezina, beaamt de unieke rol van buurthuizen: ‘Wat vroeger de rol van een buurthuis was, is veranderd naar hulpverlening. Maar we willen niet alleen maar hulpverlening, we willen elkaar ergens anders kunnen ontmoeten dan op straat.’
Buurthuizen zijn van oudsher belangrijk voor lokale democratie, legt politiek filosoof Catherine Koekoek uit in een podcast aflevering. Hier ontwikkelden persoonlijke ervaringen, bijvoorbeeld over groen in de wijk, zich tot gedeelde ervaringen, Die gedeelde ervaringen zijn weer een startpunt om iets wat er speelt in de wijk politiek te maken. In een buurthuis ontmoet je bijvoorbeeld iemand die een actie kan organiseren en een ander die een probleem kan vertalen naar bestuurlijke taal.
Het buurthuis is zo een startpunt van een democratisch proces, aldus Koekoek. Maar sinds het begin van de 21e eeuw worden buurthuizen steeds vaker wegbezuinigd.
De toekomstplannen voor Overvecht, zoals de Omgevingsvisie Overvecht 2040 en het Masterplan Overvecht Centrum – staan vol met termen als ‘sociale cohesie’, ‘ontmoeting’ en ‘participatie’. Dit lijken bij uitstek thema’s waar het buurthuis een rol in kan spelen.
Toch kunnen we in diezelfde plannen niet concreet terugvinden welke plek buurthuizen krijgen in het toekomstige Overvecht. Wat wél wordt genoemd: ‘een buurtcentrum van 650 m2’, ‘buurtkamers nabij ouderenwoningen’ en een ‘grote culturele trekpleister’ in het centrum . Maar wat betekent dat voor de buurthuizen zoals bewoners die nu kennen?
Daar willen wij verder in duiken. Welke rol spelen buurthuizen nu in Overvecht en welke plek krijgen zij in de toekomst?
We horen graag over de verschillende buurthuizen die er nu zijn, de buurthuizen die zijn verdwenen en waar bewoners er een missen . En we onderzoeken op welke manieren buurthuizen hun toekomst zien in de wijk.
Ken je een buurthuis met een bijzonder verhaal? Of neem je ons graag een dagje mee langs buurthuizen in de wijk? Stuur ons een berichtje (merel@momusmedia.nl en jeske@momusmedia.nl)
Direct een tip, ervaring of verhaal delen? Stuur ons een Whatsapp/Signal voice-bericht op 06 53 200 348 of maak gebruik van onze online microfoon.
Veel dank aan iedereen die aanwezig was op 12 april.

Een oproep aan betrokken Overvechters: op zondag 12 april gaan we tijdens de Momus Meetup met jou in gesprek, in buurthuis Burezina. Over de grote veranderingen in de wijk, wat bewoners daar wel of niet over te zeggen hadden, en het onderzoek van Momus hiernaar.
Vorige maand schreven we over de grote veranderingen in de Utrechtse wijk Overvecht: ‘Overvechters mochten meepraten over de verandering van hun wijk. Werd er geluisterd?’. Dit verscheen op De NUK en als interactief verhaal op onze website (en is daar ook te beluisteren als audioverhaal). De belangrijkste bevindingen zijn hieronder terug te lezen.
Momus blijft dit dossier volgen, nu de plannen van papier naar praktijk gaan.
Op 12 april 2026, om 15:00 uur, organiseren wij een Meetup voor bewoners en betrokkenen in buurthuis Burezina in Overvecht (Jeanne d’Arcdreef 1). Want de grote vragen zijn nog niet beantwoord. Hoe vergaat het Overvechters nu de uitvoering van de plannen begint? Hoe staat het ervoor met de belofte: samen met Overvechters? En met de toezegging van de gemeenteraad om verdringing actief tegen te gaan? We horen graag jouw verhaal.
Ben je erbij op 12 april? Stuur ons een berichtje op merel@momusmedia.nl
Heb jij tips of een verhaal om te delen over de plannen rond Overvecht? Stuur ons een berichtje op merel@momusmedia.nl of jeske@momusmedia.nl of een Whatsapp of Signal voicebericht op 06-53200248.
Wij doken voor ons eerdere artikel voor De NUK in de belangrijke plannen voor Overvecht: de Omgevingsvisie Overvecht 2040 en het Masterplan Overvecht Centrum. We onderzochten hoe de bewonersparticipatie verliep en hoe de uiteindelijke besluitvorming tot stand kwam. We spraken met bewoners en betrokkenen en voerden een AI-analyse uit op de 700 ingediende zienswijzen.
Dit zijn onze belangrijkste bevindingen:
Een greep uit de plannen
Meepraten
De pijnpunten
Wat hadden bewoners te zeggen?
Waarom was de invloed van bewoners beperkt?
Wat zeggen experts?
Sociaal geograaf Josje Bouwmeester (Universiteit Utrecht) stelt dat:
Onderzoeker wijkvernieuwing Jeroen van der Velden (Platform 31):
Hoe nu verder?
Overvecht heeft net gestemd voor de gemeenteraadsverkiezingen. De opkomst in de wijk was 40%, dat is lager dan het gemiddelde voor heel Utrecht, maar hoger dan vier jaar terug, toen 35% stemde.
De gemeente belooft de uitvoer van de plannen ‘samen met Overvechters‘ te doen. En erkent dat de ingrijpende gevolgen ‘explicieter benoemd hadden kunnen worden’. Het Wijkplatform Overvecht pleit voor een grotere rol voor bewoners in het uitrollen van de plannen.
Lees het volledige verhaal hier
Op onze social media kanalen (Instagram, LinkedIn, Facebook, Youtube, TikTok) delen we soms korte updates over dit dossier — Een einde aan dakloosheid — via video’s, “carousels” (meerdere plaatjes met tekst achter elkaar) en meer. We delen bijvoorbeeld iets korts over de voortgang van het dossier, of juist de impact ervan. Zie hieronder de social media posts over dit dossier terug (de meest recente posts bovenaan).
🎙 De podcast “Waar slaap je” van Jeske Jongerius en Lara Billie Rense, onstaan uit het Momus dossier “Waar slaap je?”, kreeg deze week ook aandacht in de Amsterdamse Straatkrant in een reportage over dakloosheid. Met extra interviews, met Jessica en Pieta (te horen in aflevering 2).
Deze editie is te koop t/m 1 april. Vind een verkoper in Amsterdam op deze kaart:
🔗z-krant.nl/vind-een-verkoper/
(“Op veel goedbezochte plekken zoals Centraal Station, Molukkenstraat, Museumplein en Westerstraat hebben we vaste verkopers staan.”)
Naar de podcast:
🔗 tinyurl.com/waarslaapje
📄❓Kamerleden stelden 13 kamervragen over de relatie tussen partnergeweld en dakloosheid onder vrouwen, naar aanleiding van de NPO-podcast “Waar slaap je?” (vooral: aflevering 4), geboren uit het Momus-dossier “Een einde aan dakloosheid”.
Naar de podcastafleveringen:
🔗tinyurl.com/waarslaapje
Naar de kamervragen:
🔗tinyurl.com/waarslaapjevragen
Naar het dossier Een einde aan dakloosheid:
🔗tinyurl.com/momusdakloosheid






❝Ze slapen op de bank bij vrienden, verblijven in vakantieparken, of trekken van tijdelijk onderkomen naar noodoplossing. Dakloze vrouwen met kinderen❞
Jeske Jongerius over de podcast:
🎙️ 𝕎𝕒𝕒𝕣 𝕤𝕝𝕒𝕒𝕡 𝕛𝕖?
door Jeske Jongerius en Lara Billie Rense voor NTR / NPO Luister, onstaan vanuit ons Momus-dossier: 𝔼𝕖𝕟 𝕖𝕚𝕟𝕕𝕖 𝕒𝕒𝕟 𝕕𝕒𝕜𝕝𝕠𝕠𝕤𝕙𝕖𝕚𝕕.
In vier afleveringen volgen Momus-journalisten Lara Billie Rense en Jeske Jongerius vijf vrouwen die dakloos raken. Hoe ze dakloos raakten, hoe ze hulp zochten, waar het spaak liep maar ook waar de oplossingen liggen
_________________
🎙️ Naar de podcast:
𝘵𝘪𝘯𝘺𝘶𝘳𝘭.𝘤𝘰𝘮/𝘸𝘢𝘢𝘳𝘴𝘭𝘢𝘢𝘱𝘫𝘦
🎙️ Naar het radio-interview met de makers:
𝘵𝘪𝘯𝘺𝘶𝘳𝘭.𝘤𝘰𝘮/𝘸𝘢𝘢𝘳𝘴𝘭𝘢𝘢𝘱𝘫𝘦2
📁 Naar het grotere Momus-dossier ‘Een einde aan dakloosheid’:
𝘵𝘪𝘯𝘺𝘶𝘳𝘭.𝘤𝘰𝘮/𝘮𝘰𝘮𝘶𝘴𝘥𝘢𝘬𝘭𝘰𝘰𝘴𝘩𝘦𝘪𝘥
Lara Billie Rense en Jeske Jongerius over:
🎙️ 𝕎𝕒𝕒𝕣 𝕤𝕝𝕒𝕒𝕡 𝕛𝕖?
Een podcast voor NTR / NPO Luister, onstaan vanuit ons Momus-dossier: 𝔼𝕖𝕟 𝕖𝕚𝕟𝕕𝕖 𝕒𝕒𝕟 𝕕𝕒𝕜𝕝𝕠𝕠𝕤𝕙𝕖𝕚𝕕.
In vier afleveringen volgen Lara Billie en Jeske vijf vrouwen die dakloos raken. Hoe ze dakloos raakten, hoe ze hulp zochten, waar het spaak liep maar ook waar de oplossingen liggen
_________________
🎙️ Naar de podcast:
𝘵𝘪𝘯𝘺𝘶𝘳𝘭.𝘤𝘰𝘮/𝘸𝘢𝘢𝘳𝘴𝘭𝘢𝘢𝘱𝘫𝘦
🎙️ Naar het radio-interview met de makers:
𝘵𝘪𝘯𝘺𝘶𝘳𝘭.𝘤𝘰𝘮/𝘸𝘢𝘢𝘳𝘴𝘭𝘢𝘢𝘱𝘫𝘦2
📁 Naar het grotere Momus-dossier ‘Een einde aan dakloosheid’:
𝘵𝘪𝘯𝘺𝘶𝘳𝘭.𝘤𝘰𝘮/𝘮𝘰𝘮𝘶𝘴𝘥𝘢𝘬𝘭𝘰𝘰𝘴𝘩𝘦𝘪𝘥
🏚️ ‘Dit staat allemaal leeg,’ zegt Thomas verontwaardigd.
Wij spreken hem over zijn ervaring met dakloosheid en zijn inzet bij de actiegroep Verandergroep Woonregels Dordrecht ✊.
Thomas is niet de enige die leegstand 🏢 en dakloosheid in verband brengt.
Volgens het journalistieke platform Pointer zou de huidige leegstand heel Utrecht 🏙️ kunnen huisvesten.
🔎 Meer over ons onderzoek lees je op momusmedia.nl/woonproof/dakloosheid
🗒️ En zie de bronnen die horen bij deze video in onze online notitie: https://tinyurl.com/ditstaatleeg
Resultaat Factcheck 🕵️♀️ “het gevoel van het kastje naar de muur te worden gestuurd”: ✅ Check
Wij Lara Billie Rense en Jeske Jongerius (@larabillierense @jeske.seline) horen vaak tijdens ons onderzoek naar dakloosheid 🏚️ dat de bureaucratie “traumatiserend” kan zijn voor mensen die hulp nodig hebben. Dakloze mensen die we interviewen vertellen vaak dat ze zich niet geholpen en niet gezien 👀 voelen. Nog los van een woonoplossing 🏠 of tussentijdse opvang 🛏️ is dat voor hen essentieel.
Hoe komt er meer ruimte voor menselijkheid in het systeem?
Volg ons dossier ‘Een einde aan dakloosheid’ op: momusmedia.nl/woonproof/dakloosheid
En coming soon ✨: onze publicatie over dakloze vrouwen is vanaf 15 oktober te lezen in De Groene Amsterdammer 📰*
*Die verscheen inmiddels en is hier te lezen

Als een wijk vernieuwd wordt, is het altijd de vraag: wat blijft, wat verdwijnt en wat komt er voor in de plaats? Die vraag geldt zowel voor de fysieke omgeving, als voor de mensen: van en voor wie wordt de vernieuwde wijk?
Wij – Merel de Buck en Jeske Jongerius – gaan op zoek naar antwoorden in Utrecht Overvecht. Deze wijk staat voor grote veranderingen. Er komen 5.000 nieuwe woningen, het overdekte winkelcentrum gaat volledig op de schop, een nieuwe busbaan trekt dwars door de wijk en de gratis openbare parkeerplaatsen verdwijnen voor betaalde ondergrondse parkeergarages.
De huidige bewoners mochten meepraten over de plannen. Wij willen onderzoeken hoeveel invloed ze daarmee hadden: was hun inbreng een echte bouwsteen of meer een sausje eroverheen?
Woon jij in Overvecht of ben je op andere manier betrokken bij de wijk? We horen graag wat jij vindt van de plannen, en of jij je gehoord voelt. Ook als je als wijkwerker, wetenschapper, beleidsmaker of ervaringsdeskundige iets te vertellen hebt over wijkvernieuwing en bewonersinspraak, horen we graag van je.
We hopen je te zien of van je te horen!
Bereik ons op deze manieren:
Of stuur ons een bericht via deze knop:
Stuur ons een berichtDit onderzoek is onderdeel van dossier Woonproof waarin we onderzoeken hoe betaalbaar en gezond wonen voor iedereen bereikbaar kan zijn. Via onze Woonproof Nieuwsbrief blijf je op de hoogte én kun je meedenken over dit onderzoek op basis van vragen die we via deze nieuwsbrief delen.
Ontvang je al één of meer van onze nieuwsbrieven? Verander je voorkeuren via de knop in de Momus-nieuwsbrieven die je al ontvangt en vink de Woonproof nieuwsbrief aan.
Ontvang je nog geen enkele nieuwsbrief van Momus? Schrijf je nu in op onze nieuwsbrief of -brieven en vink de Woonproof nieuwsbrief aan:

Dit artikel is een tweede update+Updates zijn korte artikelen waarin we delen wat we ontdekken tijdens lopende onderzoeksdossiers. Zo lees je niet alleen de eindresultaten, maar volg je ook het onderzoek zelf.
Dit dossier bestaat mede dankzij jullie, onze lezers.
Op 30 januari presenteerden D66, VVD en CDA hun coalitieakkoord, ‘Aan de slag. Bouwen aan een beter Nederland’. In deze eerste update binnen het Zorg voor Morgen dossier van Momus bekijken we de plannen van het kabinet-Jetten voor de zorg en onze gezondheid. En vooral wat deze plannen betekenen voor de toegang tot zorg en voor de verdeling van de kosten. Ons zorgsysteem is immers gebaseerd op solidariteit, dat wil zeggen: iedereen heeft gelijke toegang tot dezelfde zorg van dezelfde kwaliteit, ongeacht oud of jong, rijk of arm, ziek of gezond. Blijft die solidariteit overeind?
Daarnaast staan er zaken níet in het akkoord die je er wél zou verwachten; ook die komen aan de orde. Plus, wat betekenen de passages over ʻeen meer sturende rol’ van de overheid en ʻsterkere regulering’ voor de toekomstige organisatie van onze zorg?
Aan grote beloftes geen gebrek: deze coalitie gaat voor ʻde gezondste generatie ooit’. Deze ambitie is terug te zien in bijvoorbeeld het verhogen van de leeftijd voor het kopen van nicotinehoudende producten naar 21 jaar, het aanbieden van gratis schoolfruit, het stimuleren van sport en beweging, het aanscherpen van kindermarketing en een suikertaks. Deze maatregelen dragen bij aan het aanleren van gezondere gewoontes op jonge leeftijd. Veel organisaties in zorg en welzijn zijn dan ook enthousiast over deze voornemens (zie bijvoorbeeld de Samenwerkende Gezondheidsfondsen en GGD GHOR Nederland + de vereniging van GGD’en
Ook spreekt de coalitie over hervormen. Ons zorgstelsel is nu erg gefocust op ziekte en medische behandeling. Maar gezondheid is meer dan alleen de afwezigheid van ziekte, erkent het coalitieakkoord. Daarom komt er meer aandacht voor kwaliteit van leven en welzijn, met investeringen in een gezonde leefomgeving en sterke, zorgzame buurten, waarin mensen een goed sociaal vangnet hebben en zo lang mogelijk actief kunnen blijven meedoen – ook als ze ziek zijn of minder geld in de portemonnee hebben. Ook deze beweging van ziekte en zorg, naar gezondheid en gedrag, en naar mens en maatschappij + Wil je hier meer over lezen, zie dan bijvoorbeeld dit artikel op Sociale Vraagstukken
Maar hoewel de algemene ambitie veel bijval krijgt, klinken er tegelijkertijd, vanuit dezelfde zorgorganisaties, grote zorgen over het totaalpakket. Deze ambities kunnen namelijk, volgens het kabinet, samengaan met flinke bezuinigingen op de zorg, in totaal zo’n 10 miljard.
Een groot deel hiervan – 5,7 miljard – komt uit de verhoging van het verplicht eigen risico, van 385 euro nu, naar 460 euro in 2027 en 520 euro in 2030. Een hoger eigen risico maakt mensen bewuster van de prijs van zorg waardoor ze minder snel onnodig gebruik zullen maken van zorg en de totale zorguitgaven dalen, zo is de gedachte +In een volgend artikel zullen we de stijgende zorguitgaven in Nederland nader onderzoeken
Wat het uiteindelijke effect is van die combinatie van maatregelen valt nog te bezien. Wat wel bekend is: het groeiende eigen risico – in 2008 voor het eerst ingevoerd als bedrag van 150 euro – kan wel degelijk leiden tot mijding van noodzakelijke zorg. Zorgmijding vanwege de kosten komt voor bij ruim een op de vijf Nederlanders toont een studie uit 2023, vooral bij mensen met een lager inkomen – terwijl zij gemiddeld hogere zorgkosten hebben. Een andere studie uit hetzelfde jaar laat zien dat een deel van de Nederlandse zorgmijders achteraf oordeelde dat het mijden van een huisartsenbezoek slecht was geweest voor hun gezondheid+De studie meldt: ‘veertien van de negentien mensen die hebben afgezien van een huisartsbezoek vanwege de kosten gaven aan dat het achteraf gezien voor hun gezondheid geen goede beslissing was om niet naar de huisarts te gaan.’
De coalitiepartijen willen ook dat mensen een eigen bijdrage gaan betalen voor de wijkverpleging, eveneens bedoeld om de zorgvraag te dempen. Geen goed idee, zegt Bianca Buurman van de Vereniging van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland, juist vanwege de zorgmijding: ‘Is er een probleem? Nee. Er wordt geen oneigenlijk gebruik gemaakt van de wijkverpleging. [….] Het is de meest doelmatige investering die je kunt doen om ervoor te zorgen dat zorgzame buurten goed van de grond komen, dat ouderen langer thuis wonen en zelfredzamer worden.’ En dat laatste is immers óók de bedoeling van deze coalitie.
Aan de andere kant komt er geld beschikbaar voor sociaal werk en het versterken van wijken en buurten: tot 2030 jaarlijks 40 miljoen euro. En er komt een ‘Gemeenschapsfonds’ om voorzieningen zoals buurthuizen, verenigingsgebouwen en dorpswinkels te realiseren: tot en met 2030 jaarlijks €50 miljoen.
De gedachte van de coalitie lijkt te zijn dat met bezuinigingen aan de ene kant (minder individuele hulpverlening en uitkeringen) en investeringen aan de andere (meer gemeenschapsvoorzieningen en sociale cohesie) de effecten op de volksgezondheid uiteindelijk positief zullen zijn. De meningen zijn verdeeld of dit in de praktijk inderdaad zo gaat werken+Zie bijvoorbeeld een opinie van zorgexperts in de Nieuwsbrief Zorg en Innovatie en het radio-interview met Bianca Buurman en econoom Marcel Canoy
De geestelijke gezondheidszorg (ggz) krijgt in het coalitieakkoord speciale aandacht. De coalitiepartners stellen dat mensen niet mogen ʻverdwalen tussen wetten, regelingen en loketten’. Zij gaan dan ook de financiering en de organisatie van de ggz verbeteren. Toch is bijvoorbeeld de koepelorganisatie van cliënten- en familieorganisaties, het MIND Platform, er niet gerust op. Nu krijgen ggz-cliënten nog een deel van de kosten vergoed als ze naar een zorgverlener gaan die geen contract heeft met hun zorgverzekeraar. Omdat de vergoeding van deze ʻongecontracteerde zorg’ wordt afgeschaft in de kabinetsplannen, kunnen ze voortaan alleen nog terecht bij gecontracteerde zorgverleners. MIND vreest langere wachtlijsten daardoor. Maar ook in het korten op de uitkeringen voor werkloosheid en arbeidsongeschiktheid zien zij een groot risico. ʻFinanciële stress en bestaansonzekerheid zijn bekende risicofactoren voor psychische problemen’.
Want juist die ingrepen in de sociale zekerheid zijn fors: de werkloosheidsuitkering wordt verkort van twee naar één jaar (met een hogere uitkering in het eerste jaar). En wie arbeidsongeschikt wordt, gaat flink in inkomen achteruit. De maatregelen zijn bedoeld om mensen sneller weer aan het werk te krijgen. Maar zo’n terugval in het inkomen kan juist leiden tot bijvoorbeeld achterstallige betalingen, schulden, stress, schaamte, eenzaamheid en andere psychosociale problemen.
Niet alleen organisaties in zorg en welzijn zijn kritisch op de voorgenomen bezuinigingen. Ook het Centraal Planbureau is, na de doorberekening van de kabinetsplannen, duidelijk: deze bezuinigingen zullen het hardst aankomen bij de kwetsbaarste groepen, zoals chronisch zieken, werklozen en arbeidsongeschikten. En de inkomensongelijkheid neemt verder toe.
Een interessant punt in het regeerakkoord is dat de overheid een ‘meer sturende rol op het zorglandschap van de toekomst’ zal krijgen. Dit is opvallend in een coalitie met de VVD, een partij die van oudsher juist pleit voor een kleinere rol van de overheid. Ook andere passages laten doorschemeren dat de marktwerking in de zorg verder gereguleerd gaat worden. Zo spreken de coalitiepartijen over ‘meer regie op spreiding en concentratie van zorgverlening’, ‘streven naar passende zorg’ en ‘alleen vergoeden van zorg die bewezen meerwaarde heeft voor de patiënt’, het ‘verminderen van prikkels tot overbehandeling’ en ‘aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap in de zorg’.
Tegelijkertijd krijgen de private zorgverzekeraars meer ʻruimte en verantwoordelijkheid’ om overbehandeling te verminderen en te sturen op passende en bewezen effectieve zorg. Dat klinkt op papier verstandig, maar roept ook vragen op. Zorgverzekeraars zijn immers in wezen schadeverzekeraars. Zij innen premies en zullen erop gebrand zijn zo min mogelijk schade te vergoeden; daar lijken zij nu een vrijere hand in te krijgen. Maar zij zijn niet de behandelaars die bepalen welke zorg de patiënt nodig heeft. Hoe verhoudt die regierol zich dan tot de taak en verantwoordelijkheid van de zorgprofessionals, namelijk het verlenen van de juiste zorg op de juiste plek?
En er is een bijkomend risico. Zorgverzekeraars sluiten contracten met zorgverleners over tarieven, kwaliteit en hoeveelheid te leveren zorg. Extra controles op passende en bewezen effectieve zorg, efficiëntie, kosten en kwaliteit, opgelegd door zorgverzekeraars, maar uitgevoerd op de werkvloer, leiden mogelijk tot extra bureaucratie. Terwijl bureaucratie zonder deze extra maatregelen al een miljardenpost is +Hoewel er weinig concrete cijfers over bestaankwam een emeritus hoogleraar uit de zorg, Robert Kreis, tot eengrove schatting van circa 12 miljard euro in 2011. In een toekomstig artikel gaan we uitgebreider in op de regeldruk in de zorg.
De coalitiepartners noemen de personeelstekorten in de zorg nauwelijks. Dat is opvallend: in 2025 was al sprake van een tekort van 72.600 mensen +op een totaal van 1,7 miljoen werkenden in de sector zorg en welzijn.
De partijen noemen het weliswaar ʻonacceptabel’ dat mensen zorg te laat of helemaal niet krijgen, maar in de plannen komt de urgentie van de tekorten niet naar voren. De paragraaf in het akkoord over werken in de zorg gaat vooral over efficiënter werken: minder regeldruk, slimmer organiseren, meer innovatie. Maar is dat voldoende?
Wat ook ontbreekt in het document is de infectieziektebestrijding — onze voorbereiding op een volgende pandemie. Deze taak ligt bij GGD’en en het RIVM. In 2022 maakte het kabinet Rutte-IV naar aanleiding van de coronacrisis een uitgebreid meerjarig plan voor het verbeteren van de infectieziektebestrijding: betere opsporing van infectieziektegevallen, versterking van de GGD’en, investeringen in onderzoek en betere datasystemen. Een deel van de plannen is intussen uitgevoerd, maar nog lang niet alle. In het plan was een jaarlijkse financiering van 300 miljoen euro opgenomen.
Dit werd tijdens het kabinet-Schoof al drastisch teruggeschroefd, en in het huidige coalitieakkoord is niets meer terug te lezen over het meerjarenplan, ook niet in de financiële bijlage. GGD GHOR Nederland + De vereniging van GGD’en in Nederland
In het zorghoofdstuk van het coalitieakkoord beloven de coalitiepartners te zullen zorgen voor betere ICT-systemen. Dat is hoopgevend: de veelheid aan zorgdatasystemen en vooral de gebrekkige communicatie tussen die systemen bezorgt zorgverleners veel hoofdbrekens. In een rapport uit 2022 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling OESO krijgt Nederland hierover al een veeg uit de pan en wordt aangedrongen op een nationale gezondheidsinformatiestrategie. Maar zo’n strategie, zegt de OESO, vereist sturing door de overheid, bijpassende wetten en regels, en duurzame financiële investeringen. Of de coalitie dat ook gaat organiseren, is in de tekst niet terug te lezen. Ook in de financiële bijlage komt dit punt niet terug. Het blijft daarom onduidelijk of, hoe en wanneer de partijen deze belofte zullen gaan inlossen.
Een zorghoofdstuk van negen pagina’s kan onmogelijk álle details van álle plannen bevatten. Het blijft dus ongewis hoe ze uitgewerkt zullen worden en of eventuele risico’s voor betaalbaarheid en toegankelijkheid afgedekt zullen worden. Ook de effecten van de wisselwerking tussen de verschillende maatregelen zijn moeilijk in te schatten. Bovendien zijn dit voornemens van een minderheidskabinet: voor alles zal hard onderhandeld moeten worden met de Tweede en Eerste Kamer. Maar voorlopig is de conclusie: er liggen een paar mooie, grote ambities, die absoluut te prijzen zijn. Tegelijkertijd is er reden voor grote ongerustheid over de solidariteit in ons zorgsysteem: de toegang tot de zorg wordt vooral moeilijker voor de kwetsbaarste groepen en de zwaarste lasten komen terecht op de zwakste schouders.
Wat zijn jouw tips en tops bij de zorgparagraaf van het coalitieakkoord? Of heb je andere tips of ideeën? In volgende updates willen we dieper ingaan op de regeldruk in de zorg, en op de almaar stijgende zorguitgaven in het overheidsbudget. Heb jij hier ervaring mee of kennis over? Laat het ons weten:
Naar het tipformulier
Via onze Zorg van Morgen Nieuwsbrief blijf je op de hoogte én kun je meedenken over dit onderzoek op basis van vragen die we via deze nieuwsbrief delen.

Onze gezondheid is belangrijk. Een goede gezondheid maakt dat we ons optimaal kunnen ontplooien en een zinvol leven kunnen leiden.
Nog een onbetwist feit: het beschermen van onze gezondheid is niet alleen onze eigen verantwoordelijkheid, maar ook een publieke taak van de overheid. Zo staat het ook in de Nederlandse grondwet: De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
Maar hoe dat moet gebeuren schrijft de grondwet niet voor. We zien dan ook dat de manier waarop de overheid invulling geeft aan die taak voortdurend verandert. Het nieuwe kabinet zal bijvoorbeeld bezuinigen op de zorg en het eigen risico flink verhogen.
Over gezondheid en de Nederlandse gezondheidszorg wordt veel geschreven en gepraat. Maar wat zijn de feiten? Het is soms lastig om die te onderscheiden van meningen en niet-onderbouwde beweringen.
Is onze gezondheidszorg bijvoorbeeld echt één van de beste in de wereld, zoals vaak wordt beweerd? In internationale vergelijkingen doet Nederland het inderdaad goed. In een vergelijkende studie van The Commonwealth Fund uit 2024 naar de zorgsystemen in 10 rijke landen eindigt Nederland op plek 2, na Australië. Ook in de laatste editie (2025) van de Staat van de Gezondheid in de EU, scoort Nederland op veel indicatoren hoger dan het EU-gemiddelde.+Zoals vermijdbare sterfte, levensverwachting, lage uitgaven aan geneesmiddelen in de openbare apotheek, en investeringen in gezondheidsinformatie en ICT-systemen.
Maar waarom horen we dan toch vaak over schrijnende situaties in de zorg? Bijvoorbeeld over de wachttijden in de jeugdzorg, patiëntenstops bij huisartsen, kinderbrillen die onbetaalbaar zijn, toenemende geneesmiddelentekorten en discriminatie in de zorg – allemaal zaken die gevolgen hebben voor zowel de mensen die gebruikmaken van de zorg als voor de velen die er werken.
En zo zijn er meer vragen. Is ons zorgsysteem echt zo duur? Wat zijn de gevolgen van marktwerking in de zorg? Hebben we allemaal gelijke kansen op zorg en gezondheid? Of vallen er mensen tussen wal en schip?
Momus gaat met een nieuw dossier over gezondheid en zorg — De Zorg van Morgen — een duik nemen in de feiten, de mythes, de verhalen, de wal, het schip en iedereen die daar tussenin valt. Maar ook willen we kennismaken met de mensen áchter de verhalen. Hun ervaringen kunnen ons de weg wijzen naar een samenleving waarin iedereen gelijke kansen krijgt om in optimale gezondheid mee te doen.
Volgende week beginnen we met een analyse van de passages over zorg en gezondheid in het kersverse coalitieakkoord van D66, CDA en VVD. We onderzoeken wat deze plannen betekenen voor bijvoorbeeld de kwaliteit, de betaalbaarheid en de toegankelijkheid van de zorg, en welke beleidsvoornemens we misschien extra in de gaten moeten houden. Gaan deze plannen ons dichter bij de droom brengen van ‘gezondheid voor iedereen’, nu en in de toekomst?
Zo blijf je extra goed op de hoogte van de ontwikkelingen binnen dit dossier en kun je bovendien meedenken over de koers op basis van vragen die we via deze nieuwsbrief delen.
› Ontvang je al één of meer van onze nieuwsbrieven? Verander je voorkeuren via de knop in de Momus-nieuwsbrieven die je al ontvangt en vink de Zorg van Morgen nieuwsbrief aan.
› Ontvang je nog geen enkele nieuwsbrief van Momus? Schrijf je nu in op onze nieuwsbrief of -brieven en vink de Zorg van Morgen nieuwsbrief aan:
Heb jij nu al ideeën over wat Momus zou kunnen onderzoeken binnen ons zorgdossier? Of heb jij een verhaal voor ons dat aandacht verdient?
Stuur ons jouw tip
Ik heb een achtergrond in de sociologie en public health en werkte bij verschillende maatschappelijke gezondheidsorganisaties. Van 2014 tot 2024 nam ik als ‘health advocate’ bij Wemos deel aan mondiale en Europese projecten om gezondheidsverschillen te verkleinen. Vorig jaar maakte ik een overstap naar de (onderzoeks)journalistiek. Ik blijf hierin zoeken naar manieren waarop iedereen – jong en oud, ziek en gezond, rijk en arm – verzekerd is van gelijke kansen op een gezond en waardevol leven. Dat gaat over toegang tot zorg, maar ook over een gezonde leefomgeving en deelnemen aan de maatschappij. Niet als gunst, maar als recht.
✉️ corinne@momusmedia.nl

In het Noord-Zweedse Boden verrijst momenteel de eerste groene staalfabriek ter wereld. Het bedrijf hierachter, Stegra, staat naar eigen zeggen aan de vooravond van een ‘schone industriële revolutie’. Ze hebben een hip kantoor met community spaces en hun promotiefilmpjes tonen prachtige Zweedse natuur. Met dit alles belooft het bedrijf: wij zijn anders dan de klassieke zware industrie.
De techniek achter de belofte? Groen staal op basis van groene waterstof. Het bedrijf vestigde zich dan ook niet voor niets in Boden: hier stroomt de Lule River, een belangrijke bron van waterkracht. Die waterkracht gebruiken ze om waterstof op te wekken, waarmee ze kolen kunnen vervangen, de grondstof die staalproductie zo vervuilend maakt.
Henrik Henriksson, voormalig CEO van Scania, een ander Zweeds industriebedrijf met zes letters, is sinds 2021 hoofd van het bedrijf en probeert van groen staal een lucratieve zaak te maken. In een interview van Columbia Business School legt hij uit dat bedrijven vaak bereid zijn extra te betalen voor groen staal, wat hij de ‘green premium’ noemt, omdat ze zo anticiperen op de CO₂-belasting op staal die er op Europees niveau aan zit te komen. Zodra Stegra op volle kracht gaat opereren, hebben ze dus al een paar grote klanten, zoals BMW, aan wie ze kunnen leveren. Het is waardevol om goed te kijken naar de techniek die het bedrijf heeft ontwikkeld, omdat Tata Steel eenzelfde techniek wil toepassen.
Bij Tata Steel in IJmuiden moet hetzelfde gebeuren als in Zweden, mede gefaciliteerd door de overheid. Maar voordat er miljarden in de verduurzaming van Tata Steel worden gepompt, kunnen we ons afvragen: is staal überhaupt op een duurzame manier te produceren? Door waterstof te gebruiken, beperk je een deel van de uitstoot. Maar voor écht groen staal, moet je ook naar de rest van de keten kijken.
Het produceren van ijzer is in de basis een scheikundige formule op middelbare schoolniveau: ijzererts bestaat uit ijzer (Fe) en oxide (O) en die O moet eruit om puur ijzer over te houden. Dit gebeurt nu door ijzererts en koolstof (C) bij meer dan 1200 graden te laten reageren. De koolstof bindt zich aan de oxide. Wat er overblijft is ijzer plus koolstofdioxide: CO₂ dus. In een tweede stap wordt aan dit ijzer koolstof toegevoegd om er staal van te maken, dat veel sterker is. De grootste uitstoot zit in de eerste stap: de CO₂ die vrijkomt bij het reduceren van ijzererts tot ijzer.
Bij groen staal wordt de formule aangepast, waardoor er nieuwe fabrieken nodig zijn. In plaats van koolstof (C) voeg je waterstof (H) toe aan het ijzererts. Die bindt zich aan de oxide en vormt H2O: water. Geen CO₂-uitstoot dus. Dit klinkt mooi. Maar daarmee is het proces niet automatisch ‘groen’.
Ondanks de schonere basisformule blijven omliggende processen vervuilend. Neem het winnen van ijzererts. Dit gebeurt voornamelijk in Australië, Brazilië, China en India via open pit mining, gigantische groeves die complete leef- en natuurgebieden verwoesten door zowel het mijnen zelf, als door de aanleg van de infrastructuur. In Brazilië verdwijnen per jaar tienduizenden hectaren aan Amazone voor ijzermijnen. Inheemse bewoners worden verdreven. Deze mijnbouw verbruikt ook veel water, en vervuilt bodem- en grondwater.
Een studie uit Nigeria laat zien dat lokale gemeenschappen die naast ijzermijnen wonen, kampen met gezondheidsklachten door vervuild water. Water smaakt naar ijzer, de kleding en servies krijgen roestvlekken. Bewoners krijgen hierdoor maag-darmaandoeningen en soms zelfs kanker. In centraal India zijn er dorpen naast ijzermijnen waar water rood kleurt en daarmee onbruikbaar is geworden, terwijl honderden mensen ervan afhankelijk zijn.
Zolang er ijzererts gewonnen moet worden, is staalproductie niet volledig duurzaam. Wel is er een alternatief: schroot. Schroot is metaalafval dat gerecycled kan worden tot nieuw staal. Nu gebruikt de staalindustrie slechts 17 procent schroot, waarvan een groot deel zelfs ‘snijafval’ uit de fabriek zelf is. Dit zijn bijvoorbeeld de randjes die van een plak staal worden afgesneden om het mooi recht te maken: in feite dus geen echt schroot.

Boris Schellekens, onderzoeker bij Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) doet onderzoek naar verduurzamingsstrategieën van staalfabrikanten zoals Tata Steel. Volgens hem is het onmogelijk om volledig over te stappen op schroot zolang de economie blijft groeien: ‘Er zal dan steeds nieuw staal nodig zijn, waardoor er nieuwe ijzererts gewonnen moet worden.’
Alleen binnen een volledig circulaire economie is het mogelijk helemaal te stoppen met het winnen van ijzererts, stelt Schellekens. Dan wordt al het metaalafval hergebruikt én is dat voldoende om in de behoefte te voorzien.
Dan de waterstof. Bij staalproductie met waterstof komt geen CO₂. Maar dat betekent niet dat de waterstof zelf groen is. Voor de productie ervan is veel elektriciteit nodig.
‘Gebruik je een kolencentrale om die elektriciteit op te wekken, dan had je net zo goed die kolen kunnen inzetten in fossiel staal’, aldus Schellekens, ‘daar schiet je helemaal niets mee op’. Alleen als die energie opgewekt zou worden met wind of zonne-energie zou de staalproductie echt duurzamer zijn. Tata Steel is van plan om wind op zee te gebruiken.
Maar dat plan heeft haken en ogen, vertelt Schellekens. Nederlandse duurzame elektriciteit is veel te duur om op lange termijn concurrerend te blijven. In landen als Zweden hebben ze veel waterkracht, in Spanje veel zonne-energie. Daar zou de productie van groen staal rendabel zijn. Maar niet in Nederland waar windenergie op zee relatief duur is door hoge grond- en arbeidsprijzen.
Het produceren van groen staal in Nederland is volgens Schellekens dus een economisch en strategisch onverstandige keuze. Tata Steel zal jaarlijks honderden miljoenen aan subsidies en kortingen moeten ontvangen om concurrerend te blijven. Vroeger was dit anders, toen hadden we goedkoop gas waarvan we de gevolgen nog niet wisten. Nu Tata Steel hier niet meer op kan draaien, wordt het een stuk complexer.
De twee miljard die Nederland nu investeert zal niet genoeg zijn. Tata Steel blijft zonder extra subsidies niet rendabel. ‘Een subsidiefuik’ noemt Schellekens het. Nu er al zoveel geld naartoe is gegaan, zal de overheid de fabriek minder snel sluiten. Want dan zijn die kosten voor niks geweest, denkt Schellekens.
Nog een factor: er is een wereldwijd staaloverschot. China produceert goedkoop staal en dumpt dit tegen lage prijzen op de Europese markt. Nederland wil daar misschien niet afhankelijk van zijn, maar is momenteel ook afhankelijk van gas uit Qatar en de Verenigde Staten.
Als Europa om strategische redenen een eigen staalproductie wil, blijft de vraag: waar doe je dat het beste? Schellekens vindt het belangrijk dat Europa duidelijke afspraken maakt om staal te produceren in landen waar duurzame energie goedkoper is. In Spanje wordt bijvoorbeeld nu een groene staalfabriek gebouwd die ook op groene waterstof draait. ‘Nederland zou beter staal kunnen inkopen uit deze Europese landen, dan miljarden steken in Tata Steel, een Indiaas bedrijf,’ concludeert Schellekens.

Miljoenen euro’s aan sponsorgeld, invloed op het curriculum en gezamenlijke tentoonstellingen: een onlangs verschenen rapport van het Nederlandse onderzoeksbureau Solid Sustainability Research toont hoe diep de fossiele industrie zich geworteld heeft in de academische wereld.
Naar het rapport van Solid SustainabilityDe afgelopen tijd gaven we daar ook zelf aandacht aan. Sjors Roeters publiceerde vanuit Momus in Trouw over relaties van het Saudische staatsoliebedrijf Aramco en het olie- en gasbedrijf Shell met Nederlandse universiteiten. ‘Elk voorstel sluit aan bij de zakelijke belangen van Saudi Aramco,’ staat in correspondentie tussen de Universiteit Maastricht en Aramco, wanneer de universiteit voor een aantal onderzoeksideeën bij Aramco aanklopt voor financiering. En studenten op de Erasmus Universiteit in Rotterdam kregen de opdracht een investeringsstrategie voor Shell op te stellen.
Deze specifieke voorbeelden zijn interessant, maar het totaalplaatje aan samenwerkingen is even belangrijk. Het toont dat het niet gaat om individuele gevallen, maar er talloze lijntjes bestaan tussen de fossiele industrie en Nederlandse academische wereld. En dat brengt, zoals Roeters eerder uitlegde, risico’s met zich mee: financiering door fossiele bedrijven blijkt volgens studies invloed te hebben op hoe positief of negatief onderzoekscentra schrijven over olie, gas of duurzame energie +Lees hier meer over in de publicatie over de banden tussen Shell en Nederlandse universiteiten door Sjors Roeters: ‘Zo toonden twee studies gepubliceerd in Nature aan dat onderzoekscentra met fossiele financiering systematisch positiever rapporteren over olie en gas en minder positief over hernieuwbare energie dan centra zonder zulke banden. Waar onafhankelijke instituten zonne-energie en waterkracht centraal stellen, schuiven door de fossiele industrie gesteunde instellingen juist aardgas naar voren als cruciaal onderdeel van de energietransitie.’
In de interactieve data-visualisatie, gemaakt door Linksmith is een web te zien van alle personen die verbonden zijn aan zowel de academische wereld als de fossiele industrie.
Het toont bijvoorbeeld een lijn tussen de Rijksuniversiteit Groningen en Gasunie, waar Gasunie de bijzonder hoogleraar stoel sponsorde van Coby van der Linde — een bestuurder met meerdere dubbele petten (en gebrekkige transparantie daarover) volgens een eerdere reportage door Nieuwsuur.
Aan de TU Delft is Shell met 11 personen erg belangrijk: het zijn professors die hun academische baan combineren met werk voor Shell of door Shell gesponsorde organisaties. Ook de Rector Magnificus van TU Delft, Tim van der Hagen, staat in dit netwerk. Zo is hij tegelijkertijd commissaris bij Gasunie en verbonden aan de door Shell gesponsorde GROW Foundation.
Andere universiteiten tonen een gevarieerder palet aan samenwerkingen, en in totaal zijn er tientallen fossiele bedrijven en instituten waar mee samengewerkt wordt.
Blader door de visualisatie en filter op personen, posities of bedrijven. Klik op de lijntjes voor extra toelichtingen en links naar bronnen. Verken zelf het netwerk, en ontdek de verschillende manieren waarop de fossiele industrie verweven is met de Nederlandse universiteiten.
Naar de netwerkgrafiekNoot van de redactie: Aan deze update schreef Veerle van Onzenoort mee, student International Relations and Organisations bij Leiden University en journalistiek stagair bij Momus. Van Onzenoort was als onderzoekspartner tevens direct betrokken bij het onderzoek van Solid Sustainability naar de banden tussen fossiele bedrijven en universiteiten.

In een gezin in Kampen is de vader zijn baan verloren en zijn de twee kinderen van vijf en acht leerplichtig. Dan geeft hun computer de geest. Het gezin heeft geen geld voor een nieuwe. De kinderen hebben die nodig voor hun huiswerk en de vader voor het contact met de UVW. Ze doen een aanvraag voor een computer bij de gemeente Kampen, maar die ziet het als ‘luxeproduct’ en de aanvraag wordt afgewezen. Via via horen ze over het Kamper Krachtfonds. Ze doen een aanvraag waarop het Kamper Krachtfonds de computer vergoedt.
Lidi Kievit en Tom de Wal zijn voorzitter en penningmeester van het Kamper Krachtfonds en horen dit soort verhalen vaker. Het Krachtfonds biedt kleinschalige financiële ondersteuning aan kwetsbare groepen in Kampen. Niet omdat in Kampen buitengewoon veel gezinnen onder de armoedegrens zitten. Kampen is volgens de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein op veel vlakken ‒ armoede, werkloosheid, mentale gezondheid ‒ een gemiddelde Nederlandse gemeente. Het is omdat in 2013 de politiek (en het bedrijfsleven) het idee van de participatiesamenleving omarmt en Lidi Kievit, als uittredend wethouder Sociaal Domein in de gemeente Kampen, met vooruitziende blik zag dat mensen tussen het wal en schip zouden vallen. ‘We vullen de gaatjes die de overheid laat vallen.’
Iedereen moet z’n eigen boontjes doppen, en vooral niet te snel bij de overheid aankloppen. Sinds de jaren ‘90 won het idee van ‘participatiesamenleving’ aan politieke populariteit. Het begon de ‘verzorgingsstaat’ te verdringen. Het is niet toevallig ook de tijd van de opkomst van de burgerinitiatieven, die in de bres springen voor kwetsbare groepen. Een van die initiatieven heet het ʻgemeenschapsfonds’. In Nederland zijn er in totaal tussen de 50 en 70 gemeenschapsfondsen actief.
Het Kamper Krachtfonds is een voorbeeld van een gemeenschapsfonds. Een gemeenschapsfonds is een particulier initiatief met als doel de kwaliteit van leven in een bepaalde stad of regio te verbeteren. Het zijn filantropische organisaties, vaak stichtingen, die lokaal fondsen werven in de vorm van donaties of erfenissen, en met dat geld in hun regio initiatieven ondersteunen op het gebied van bijvoorbeeld cultuur of milieu. Er zijn er ook, zoals het Kamper Krachtfonds, die zich richten op amoedebestrijding en het voorzien in fundamentele basisbehoeftes.
Een gemeenschapsfonds is geen grote, formele organisatie. Het interview voor dit artikel vond plaats aan de keukentafel bij Lidi Kievit thuis (‘welkom in het kantoor van het Kamper Krachtfonds’). Een gemeenschapsfonds is een informele, toegankelijke groep bewoners die zien dat er in hun stad of regio het een en ander te verbeteren valt. Meestal zijn dat dingen die de overheid niet (meer) doet of simpelweg niet in staat is te doen.
Kievit leg dat uit: ‘Onze doelgroep zijn mensen die het net niet op eigen kracht redden. Die net een zetje nodig hebben om weer mee te doen in de samenleving. Assertieve mensen komen er wel. Maar mensen met schulden of met een klein of ontbrekend netwerk, of mensen die zich schamen voor hun positie, daar zijn we voor.’
Hoe ziet dat eruit in de praktijk? Penningmeester Tom de Wal heeft een hele lijst met voorbeelden paraat. ‘We hebben laatst de koel-vriescombinatie van een mevrouw van 67 betaald, die heeft hoge lasten en alleen AOW. Ook vergoeden we soms stortkosten. Er zijn mensen die om wat voor reden dan ook hun hele huis hebben volgepropt met spullen en soms kunnen ze er niet meer doorheen naar buiten. Dan is een huis onleefbaar. Dat moet dan worden verwijderd en daar komen kosten bij kijken.’
De lijst gaat verder. Zwemlessen van kinderen uit minima-gezinnen, steunzolen voor ouderen, ongediertebestrijding bij gezinnen thuis, hulp bij het terugbetalen van schulden. En tenslotte: een maand huur. De Wal: ‘Sommige mensen zitten zo in de penarie dat ze met een maand huur geholpen zijn om uitzetting te voorkomen.’ Met dit soort relatief kleine ingrepen kan iets groots als dakloosheid voorkomen worden. In Nederland is huisuitzetting een van de oorzaken van dakloosheid en ook de rijksoverheid erkent dat snelle hulp bij schulden dakloosheid kan voorkomen.

Volgens Kievit en De Wal heeft hulp van het Kamper Krachtfonds een duidelijke voorwaarde. Er mag geen ander noodfonds of potje bestaan waar de aanvrager voor in aanmerking komt, ook niet bij de gemeente. Het zegt iets over de verhouding tussen fonds en overheid. Namelijk dat gemeenschapsfondsen precies daar actief zijn waar de overheid dat niet is of niet méér is.
Misschien het meest prangende voorbeeld is de cultuursector. In 2013, het jaar waarin de participatiesamenleving werd uitgeroepen, voerde de Rijksoverheid 200 miljoen aan bezuinigingen door in de cultuursector. Dit zorgde voor een maatschappelijke tegenbeweging van particulieren cultuurfondsen, waar de gemeenschapsfondsen, weliswaar op kleinere schaal, ook onderdeel van uitmaken. In 2022 schonken de grootste vijftig particuliere cultuurfondsen in 2022 maar liefst 283 miljoen euro aan kunst en cultuur, bijna een kwart van het cultuurbudget van de overheid.
In het ‘sociaal domein’ is iets vergelijkbaars gebeurd. De overheid trok zich stapsgewijs terug, met het implementeren van De Zorgverzekeringswet uit 2007, waarmee universele overheidssteun bij ziekte (via het Ziektefonds) werd vervangen door een markt van private verzekeraars, en met de Wet Maatschappelijke Ondersteuning uit 2015, de ‘participatiewet’, waarin onder andere de eigen bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning werd geïntroduceerd. Met de participatiewet werden publieke diensten als dagbesteding, daklozenopvang en informele zorg overgeheveld naar de gemeenten, maar zonder de daarvoor noodzakelijke financiële middelen.
Dit soort hervormingen waren verkapte bezuinigingen die nu vaak worden aangeduid als ‘neoliberaal’ . Ze passen in het kader van de bredere ‘participatiesamenleving’, dat tijdens het kabinet Rutte II (2012-2017) een van de centrale ideeën was.
Lidi Kievit was in die tijd wethouder Sociaal Domein in de gemeente Kampen en heeft de omwentelingen van dichtbij meegemaakt. Het sociale veld werd volgens haar steeds ingewikkelder en zorgde samen met het terugtrekken van de overheidsfinanciering voor ‘een kaalslag’ in de voorzieningen in dat domein. Het was reden genoeg om het Kamper Krachtfonds op te richten.
Behalve in Kampen zijn er in Nederland gemeenschapsfondsen actief in onder andere Amsterdam, Amstelveen, Blaricum, Texel (Noord-Holland), Gouda, Leiden, Schiedam, Wassenaar (Zuid-Holland), Soest en de gemeente Utrechtse Heuvelrug (Utrecht), Hegelsom (Limburg) en Twente (Overrijssel).
Ook buiten Nederland is de opkomst van gemeenschapsfondsen de laatste decennia rap toegenomen. Een rapport dat deze trend al vroeg opmerkte – in het jaar 2000 – is ‘The Growth of Community Foundations around the World’, van de Amerikaanse consultant en onderzoeker Eleanor Sachs. Hierin worden deze lokale fondsen geplaatst in de context van groeiend mondiaal vrijemarktkapitalisme, met terugtrekkende overheden op lokaal niveau.
De omvang van de fondsen varieert sterk. Het Kamper Krachtfonds is een relatief klein gemeenschapsfonds met een jaarlijkse begroting van rond de 25.000 euro. Het Texelfonds op Texel, aan de andere kant, beschikt over een eigen vermogen van rond de anderhalf miljoen euro. Met de inkomsten op dat vermogen steunt het projecten; in 2022 werd zo’n 100.000 euro uitgekeerd. De omvang van de andere fondsen ligt ergens tussen die van het Kamper Krachtfonds en het Texelfonds in. De bronnen van financiering zijn divers: lokale giften en erfenissen die bij gemeenschapsfondsen worden ondergebracht, of rente op vermogen. In die zin zijn gemeenschapsfondsen bijzonder: ze weten nieuwe financieringsstromen aan te boren voor lokale filantropie.
Kievit en De Wal vertellen over hoe een aanvraag voor financiering door het gemeenschapsfonds eigenlijk werkt. ‘Het heeft niet veel om het lijf,’ zegt De Wal. Het proces moet zo min mogelijk obstakels bevatten en zo toegankelijk mogelijk zijn. ‘Een aanvraag komt binnen bij het secretariaat, die zet daar twee regels bij en dan sturen ze het door naar [het bestuur]. Wij keuren de aanvraag, mits onder de 300 euro, wel of niet goed of sturen het bij een hogere aanvraag, of als er meer vragen zijn, door naar het algemeen bestuur voor advies.’

De algemeen-bestuursleden zijn ‘allemaal Kampenaren’. ‘En gemeleerd,’ zegt Kievit. ‘Ik heb een achtergrond in het sociaal domein, we hebben een middelbare schooldocent, een taal-coach, iemand die werkte bij de woningbouwvereniging, en iemand uit de financiële wereld, maar allemaal wonen ze in de stad.’ De toegankelijkheid en nabijheid van gemeenschapsfondsen speelt een belangrijke rol bij het bereiken van mensen uit ‘de arme kant van Kampen’.
Is er iets dat een gemeenschapsfonds wel kan en een overheid niet? En zo ja, wat is dat dan?
Thijs van Mierlo houdt zich al langer bezig met deze vraag. Hij is directeur van het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve Bewoners (LSA Bewoners) uit Utrecht, dat de spil vormt van een netwerk van bewonersinitiatieven in Nederland en ook opkomt voor hun belangen in de politiek in Den Haag. Sinds een paar jaar spant LSA Bewoners zich in om de groei van en verbinding tussen de gemeenschapsfondsen te faciliteren.
‘Een van de belangrijkste verschillen,’ zegt Van Mierlo, ‘is dat gemeenschapsfondsen minder gebonden zijn aan gelijke behandeling. Het universaliteitsdenken is heel dominant bij de overheid. Dan is het heel moeilijk om achterstanden aan te pakken. Een voorbeeld zijn de Buurtbudgetten van gemeenten waar heel vaak instaat dat aanvragen voor eten en drinken zijn uitgesloten. Terwijl er heel veel plekken zijn waar het belangrijk is om mensen te helpen met deze fundamentele behoeftes.’
Een ander verschil is volgens Van Mierlo dat gemeenschapsfondsen zijn ‘geworteld’ in de lokale samenleving. Het is geen toeval dat bij het Kamper Krachtfonds, maar ook bij bijvoorbeeld het Wassenaarfonds, het Leidse Drückerfonds of het Texelfonds, lokale bewoners de dagelijks leiding voeren. Ze kunnen daardoor goed inschatten, beter dan grotere instanties als gemeenten, wat de impact van (financiële) ondersteuning kan zijn en of er overlap is met het aanbod van andere lokale (hulp)organisaties.
Gevraagd naar de rol van gemeenschapsfondsen in de samenleving, vallen er woorden als ‘basisinfrastructuur’, ‘gaten opvullen’ en ‘fundamentele behoeftes’. ‘De fondsen zijn niet alleen leuk voor erbij,’ zegt Van Mierlo, ‘maar ze investeren ook daadwerkelijk in een wezenlijke basisinfrastructuur waar de overheid dat niet meer doet, of waar er schaarste is in die infrastructuur.’
In een wetenschappelijk artikel uit 2016 beschrijft de neoliberale econoom Lei Delsen van de Radboud Universiteit helder de uitgangspunten van het op dat moment populaire idee van de ‘participatiesamenleving’:
‘Overheid en professionele ondersteuning fungeren als laatste toevlucht. Mensen moeten verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen toekomst en hun eigen sociale en financiële opvangnetten creëren. Het onderliggende idee van de participatiesamenleving is er één waarin mensen hun afhankelijkheid van staatsteun verminderen en zelfredzaam worden of afhankelijk van familie en gemeenschaps-solidariteit.’
Gemeenschapsfondsen reflecteren deze ideeën soms expliciet. Op de website van het Blaricum Activiteitenfonds staat bijvoorbeeld te lezen dat ‘met een overheid die zich steeds verder terugtrekt [er] ruimte ontstaat voor particulier initiatief. Burgers worden geacht steeds meer hun eigen verantwoordelijkheden te nemen.’
Het verklaart waarom mensen gemeenschapsfondsen beginnen: ze hebben weinig andere keus dan te ‘participeren’ en de gaten die de overheid laat vallen, op te vullen. Het alternatief is kijken hoe, in Kampen bijvoorbeeld, mensen hun huis worden uitgezet, omkomen in de schulden of zich geen koelkast of steunzolen kunnen veroorloven.
Gemeenschapsfondsen worden weleens vergeleken met kersen op een taart. In deze analogie bestaat de taart uit basisvoorzieningen vanuit de overheid, de kersen vertegenwoordigen de marginale maatschappelijke bijdrage van de gemeenschapsfondsen. Het is een ideale voorstellingen van zaken. Een die in de praktijk (helaas) niet overeind blijft. Soms springen burgers in de bres voor elkaar, wanneer een overheid dat niet doet.
De kers-op-de-taart-analogie is volgens Kievit en De Wal betreft ongepast. ‘Wat wij doen zijn geen kersen op de taart. Het is meer het beleg op het broodje.’
Noot van de redactie: eerder deed de auteur van dit artikel, Jens Kimmel, onderzoek namens het Landelijk Samenwerkingsverband Actieve (LSA) Bewoners naar Gemeenschapsfondsen in Nederland. Het rapport is hier te lezen.

‘Veel mensen melden zich bij ons met de boodschap: “Ik lees van alles in het nieuws, het gaat constant over vluchtelingen, maar ik wil eigenlijk ook weten hoe het nu allemaal echt zit”,’ vertelt Kirsten de Mik van Samen Hier. Dit project koppelt mensen op de vlucht aan groepen Nederlanders die hen willen ondersteunen, om hen zich ‘welkom en thuis’ te laten voelen.
Een zo’n koppeling bleef haar bij, vertelt De Mik. In Den Helder meldde zich een vrouw die vertelde dat ze ‘alleen maar witte vrienden’ had en in een ‘witte wijk’ woonde. Haar dochter wees haar op de oproep van Samen Hier, waarna ze zich aanmeldde. ‘Ze werd gekoppeld aan een gezin uit Afghanistan. Enkele maanden later verschenen er foto’s en filmpjes van hun gezamenlijke fietslessen. Een wereld van verschil.’
Terwijl een klein aantal Nederlanders actief vluchtelingen welkom heette, kon dit jaar voor een veel luidere groep het vluchtelingenbeleid juist niet streng genoeg. Dit uitte zich onder andere in de val van het kabinet, illegale grenscontroles en veelvuldig, soms gewelddadig, protest tegen de komst van azc’s.
Op NU.nl stelt Peter Scholten, hoogleraar Migratie en Diversiteitsbeleid, dat de angst voor asielzoekers sterk is gegroeid de afgelopen jaren, gevoed door de politiek en media. Dit heeft volgens hem niets met de instroom te maken maar met wanbeleid. Daaruit ontstaat chaos. ‘Het is een vicieuze cirkel. Er is paniek, er wordt slecht beleid gevoerd, de opvang is moeilijker te regelen, de asielchaos wordt groter waardoor er negatieve beeldvorming ontstaat en dan is er weer paniek en angst.’
Ook kennisplatform Movisie wijst naar de wisselwerking tussen media — die meestal ‘negatief van aard is’ — en de weerstand tegen opvanglocaties. De ‘angst voor overlast’ door vluchtelingen die daarmee gevoed wordt, blijkt uit Movisie’s onderzoek immers veel belangrijker dan de ‘ervaren overlast’. En zelfs mensen die het belang inzien van een humaan vluchtelingenbeleid, kunnen door het ‘not in my backyard’-effect (NIMBY) weerstand bieden, meldt Movisie.
Inmiddels lijkt die weerstand serieuzer van aard en is het effect niet te ontkennen. In 49 gemeenten was er dit jaar protest tegen de komst van een asielzoekerscentrum (azc), volgens Nieuwsuur. En niet zelden kregen actievoerders hun zin, zoals in Terneuzen, waar wethouders na protest van inwoners afzagen van plannen voor een azc, net als in meer dan 20 andere gemeenten.
Maar wat blijft er over van die weerstand wanneer burgers, zoals de vrouw uit Den Helder, vaker direct contact hebben met vluchtelingen en hun eigen beeld kunnen vormen?
De wetenschap is er duidelijk over: langdurig contact tussen twee groepen kan vooroordelen tegengaan. Dit is uitvoerig onderzocht en bevestigd door de sociale psychologie. De ‘contacthypothese’, ook wel intergroup contact hypothesis, is daar al meer dan 75 jaar een kernbegrip. Het effect treedt op omdat door direct menselijk contact angst afneemt en empathie toeneemt. Het wij-zij gevoel verdwijnt. Hoewel contact alleen geen wondermiddel is — het moet volgens Movisie bijvoorbeeld duurzaam, intensief en positief zijn om negatieve beeldvorming tegen te werken — tonen talloze studies dat het positieve effect sterk kan zijn.
Wat betekent dit voor het vluchtelingenvraagstuk? De contacthypothese werd meermaals bevestigd door onderzoek naar draagvlak voor de opvang van vluchtelingen. Zo bleek uit een panelanalyse door Tilburg University dat de kans dat iemand op een extreemrechtse partij stemde door de komst van een azc in de buurt met 4,6 procent afnam. Inwoners werden gemiddeld ook positiever over etnische minderheden. Uit een eerdere studie (2017) van Rijksuniversiteit Groningen bleek dat voor mensen die negatief waren over het vluchtelingenbeleid, de media de belangrijkste bron was. Mensen met een positieve mening noemden hier juist vaker hun eigen ervaring.
Het onderzoek naar de komst van azc’s in de buurt laat wel zien dat de hoeveelheid vluchtelingen uitmaakt. De afname in stemmen voor extreemrechtse partijen was het grootst bij een beperkte instroom in de gemeente. Bij grotere hoeveelheden vluchtelingen — 200 of meer — hield het effect van contact op politieke voorkeur weliswaar stand, maar nam het af+Uit de studie werd niet duidelijk dat grootschalige opvang negatieve sentimenten opwekt. Maar de auteurs opperen dat te grote getallen, als deze gepaard gaan met conflict rond de opvanglocatie, tot negatief contact leiden. Ook kunnen grotere aantallen vluchtelingen als een bedreiging worden ervaren
Dat vooral kleinschalige opvang draagvlak ten goede komt, zegt ook VluchtelingenWerk, een organisatie die al 45 jaar vluchtelingen in Nederland lokaal ondersteunt: ‘Opvangvoorzieningen dienen kleinschalig te worden ingericht, midden in de samenleving, met voorzieningen en activiteiten die voor zowel asielzoekers als buurtbewoners beschikbaar zijn.’ Mede daarom pleit de organisatie voor gespreide opvang.
De afgelopen tijd gaven ook andere mediaplatforms aandacht aan de effecten van contact op vooroordelen over vluchtelingen.
Zie bijvoorbeeld een opiniestuk uit januari in De Volkskrant hierover door Christine Otten (ʻWaar mensen elkaar écht ontmoeten, lossen vooroordelen en weerstand op als stof in de wind’).
NRC wijdde in november een reportage aan de komst van een azc in de gemeente Katwijk en hoe ook hier vooroordelen en angsten verminderden toen het azs er werkelijk kwam: ʻAl snel na de komst van de asielzoekers verstomde het protest in Katwoude: ‘We hebben ons gek laten maken’’.
RTL Tonight sprak in december in Aerdenhout met inwoners die een jaar eerder nog uiterst kritisch waren over de opvang van twintig jonge, mannelijke asielzoekers, die eveneens van mening veranderden. ʻZe moeten ook een kans hebben toch’, zei een inwoner die eerder nog vreesde voor extreme overlast. ʻIk heb nu ervaren dat we er totaal geen last van hebben.’
En in de televisieserie ʻGo back to where you came from’ van het Britse Channel 4 maken Britse burgers kennis met vluchtelingen en leren ze meer over hun reis naar Engeland. Een op internet breed gedeeld fragment uit deze serie toont een Britse man die in gesprek met een Syrische vluchteling direct van mening lijkt te veranderen.
Het inzicht dat direct contact — onder de juiste voorwaarden — vooroordelen vermindert en draagvlak voor opvang kan vergroten, wordt bevestigd door betrokkenen bij diverse burgerinitiatieven. Het zijn geen projecten die de asielopvang regelen, maar ze ondersteunen vluchtelingen bij hun aankomst en integratie in de gemeenten, door hen bijvoorbeeld te helpen met het vinden van een gelijkwaardig sociaal netwerk.
Naast het eerder genoemde Samen Hier zijn er meer projecten, waaronder Takecarebnb. Deze organisatie plaatst vergunninghouders voor ongeveer drie maanden bij een gastgezin in de buurt van de gemeente waar ze uiteindelijk zullen wonen. Zo kunnen ze vervroegd vertrekken uit het azc. Deze vorm van opvang verlicht volgens persvoorlichter Jet Krantz de druk op overbelaste azc’s en ‘is daardoor kostenbesparend voor de samenleving.’ Daarnaast bevordert het project volgens haar zowel het welzijn van de vluchtelingen als het draagvlak voor opvang: ‘Onbekend maakt onbemind. Door ons wordt het: bekend maakt bemind.’
Hoewel gastgezinnen doorgaans goed op de hoogte zijn van het vluchtelingenvraagstuk, meent Krantz dat het contact ook voor hen leerzaam kan zijn. Zo noemen gastgezinnen het een ‘deep-dive in een nieuwe cultuur’ en zeggen ze dat het veel impact heeft om rechtstreeks van hun gasten te horen waarom ze zijn gevlucht en wat ze allemaal hebben doorstaan — meer dan verhalen uit de media. Deze ervaring sterkt hen vervolgens in het uiten van steun voor de opvang van vluchtelingen, ziet Krantz. Ook ontmoeten de gasten het bredere sociale netwerk van het gastgezin, waardoor ze meer contacten kunnen aanknopen
Voor de gasten betekent het verblijf in de eerste plaats een dak boven het hoofd en een stabiele, rustige omgeving. Maar doordat ze onderdeel worden van de samenleving komt dit de sociale cohesie ten goede, zegt Krantz. Dit zag ook het Verwey-Jonker Instituut dat in 2023 onderzoek deed naar de impact van Takecarebnb: ‘Gasten én gastgezinnen vinden het logeren in overgrote meerderheid een (heel) positieve ervaring, vooral vanwege het contact van mens-tot-mens. […] Het logeren van statushouders via Takecarebnb biedt kansen om snel(ler) te starten met participatie en integratie.’
Ingrid en Roel uit Beverwijk namen in 2024 via Takecarebnb Hala in huis, een 31-jarige Syrische vluchteling en afgestudeerd architect. Ook mensen uit de omgeving droegen bij, vertelt Ingrid: ‘Door ons uit te nodigen voor het eten, door haar te helpen met de inrichting van haar huis, door met haar de taal te oefenen tijdens wandelingen, door haar te zien in haar volle betekenis.’ Hoewel Ingrid de hoop had ‘vrienden en familie over de streep te trekken om ook een statushouder een tijdelijk thuis te bieden’, is dat niet gelukt. Maar ook na de verblijfsperiode is de betrokkenheid van de omgeving ‘onverminderd groot’.
Niet iedereen die vluchtelingen wil helpen heeft tijd en ruimte om zo’n grote verantwoordelijkheid te dragen. Om deze mensen toch te betrekken, is in 2018 door de Nederlandse tak van Justice & Peace — een internationale ngo die zich inzet voor mensenrechten — het project Samen Hier opgezet. Hier vormen deelnemers een groep om vluchtelingen in hun woonplaats te verwelkomen. De groep ondersteunt samen één persoon of gezin met een vluchtachtergrond, zowel emotioneel als bij praktische zaken. Het voordeel hiervan is dat groepsleden de verantwoordelijkheid en druk kunnen delen, zegt Kirsten de Mik.
Samen Hier is een community sponsorship-project naar Canadees model, met enige verschillen +Een Samen Hier-groep ondersteunt vluchtelingen niet financieel, in tegenstelling tot het Canadese model. Ook bestaat in Nederland juridisch nog niet de mogelijkheid voor burgers om vluchtelingen direct uit te nodigen waar dat in Canada wel kan. De groepen begeleiden uitsluitend vluchtelingen uit het Nederlandse aandeel van het UNHCR-hervestigingsprogramma, dat zich richt op het hervestigen van ‘de meest kwetsbare vluchtelingen’.
Een aantal jaar voor de oprichting van Samen Hier viel op dat nieuwkomers uit Syrië een grote behoefte hadden aan gelijkwaardig contact met Nederlanders, zegt De Mik. Het enige contact dat ze met Nederlanders hadden was met de medewerkers van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). ‘Dat zijn mensen die vanuit hun professionele hoedanigheid vluchtelingen bijstaan. Maar het ontbrak aan contact dat bijdraagt aan het thuisvoelen in het nieuwe land, zoals een kopje koffie met de buurman of buurvrouw.’ Om dit probleem op te lossen vonden ze het community sponsorship-model veelbelovend.
Een Samen Hier-groep kan bovendien aan lokaal draagvlak bijdragen op een manier die voor de overheid buiten bereik ligt. In een wijk waar een gezin geplaatst was, werd op een dag door een onbekende een steen door het raam gegooid, vertelt De Mik. ‘De Samen Hier-groep heeft toen ingegrepen door de buurt rond te lopen en uit te leggen van “Joh. hè, maak je niet zo druk! Dit is een hartstikke normaal, aardig gezin.”’ Deze interventie kalmeerde de situatie, en de boodschap had volgens De Mik een heel ander effect dan wanneer deze van een gemeenteambtenaar was gekomen.
Samen Hier staat tot nu toe alleen ‘hervestigers’ bij: vluchtelingen die door het UNHCR als extra kwetsbaar zijn aangemerkt, en daarom een veilige route naar een derde land nodig hebben. Het inmiddels demissionaire kabinet Schoof heeft het aantal hervestigers dat Nederland jaarlijks ontving van 500 naar 200 gereduceerd. Dit volgt een internationale trend: in Duitsland en België is het hervestigingsprogramma helemaal stopgezet. In deze context, zegt De Mik, is Samen Hier nu aan het kijken hoe het model kan worden ingezet voor vluchtelingen die bijvoorbeeld hier in een azc zitten, of voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Hoe impactvol het op grotere schaal toepassen van community sponsorship kan zijn, tonen de resultaten in Canada. Inmiddels hebben zich daar volgens UNHCR-cijfers al meer dan 300.000 mensen via zo’n programma gevestigd sinds 1979. Marktonderzoek van Environics Institute for Survey Research geeft aan dat vijf procent van de Canadezen aan een sponsorship van een vluchteling heeft bijgedragen en dat nog eens 15 procent iemand kent die daarbij betrokken is geweest. Het programma wordt overwegend positief beoordeeld.
Uiteindelijk zou Samen Hier het liefst zien dat iedere gevluchte persoon via een community sponsorship-project in de buurt wordt verwelkomd. Dit helpt de vluchtelingen met het vinden van een sociaal netwerk en het thuisgevoel; voor de leden van een Samen Hier-groep is het een mogelijkheid bij te dragen aan het Nederland waarin ze willen leven, zegt De Mik. ‘Vluchtelingenopvang of zorgdragen dat mensen integreren is dan niet iets dat buiten hen om gebeurt: ze zijn er deel van.’
Toch kunnen positief contact en kleinschalige opvang elk slechts een bijdrage leveren om de angst voor vluchtelingen te verminderen. Ook Canada, bleek uit een peiling, is ondanks community sponsorship niet immuun voor polarisering rond de asielkwestie. Zo gelooft een groeiend aandeel dat veel vluchtelingen geen echte vluchtelingen zijn.
Community sponsorship en contact bevorderende initiatieven zijn slechts een onderdeel van een waaier aan maatregelen die draagvlak kunnen vergroten. Zo noemt Movisie, op basis van een rondgang langs tweehonderd gemeenten, het belang van het bouwen van meer woningen, langdurige maatschappelijke begeleiding, het inzetten van sleutelfiguren met dezelfde achtergrond als vluchtelingen, en goede informatie en communicatie over de huisvesting vanuit de gemeente. ‘Mensen denken vaak dat vergunninghouders geen huur hoeven te betalen en veel gratis krijgen, terwijl dat vaak niet waar is,’ benoemt het kennisinstituut.
Om op te schalen heeft Samen Hier vooral meer financiering nodig. ‘We hebben fantastische filantropische donoren,’ benadrukt De Mik. ‘Toch zou het fijn zijn het programma ook met overheidsfinanciering uit te kunnen breiden.’
De koers van het demissionaire kabinet staat daar haaks op, ziet De Mik: ‘We zitten in een landschap waarin allerlei bezuinigingen worden gedaan op ondersteuning aan vluchtelingen.’ VluchtelingenWerk bijvoorbeeld gaat enorme bezuinigingen tegemoet. Daar hebben ze altijd gerekend op overheidsfinanciering en gaan ze van 300 naar 70 locaties per 2026.
Daarnaast werkt de overheid aan het afschaffen van de spreidingswet en gemeentelijke taakstelling voor de huisvesting van vluchtelingen. Daarmee zou de plicht vervallen voor gemeenten om bij te dragen aan een eerlijke spreiding van zowel asielopvang als de huisvesting van statushouders. Geen goed idee, vindt Movisie: de voorkeur van de overheid gaat uit naar vormen van opvang die volgens studies juist niet bijdragen aan draagvlak, ‘in grootschalige, sobere doorstroomlocaties.’
Na de verkiezingsuitslag ziet de voorlopige beleidsagenda op dit gebied er iets anders uit. Ondanks een nadruk op strenger asielbeleid, wijzen plannen van D66 en CDA op het behouden van de spreidingswet.